HISTORIE VAN HET PURA RAZA ESPAŅOLA PAARD

(Dit artikel van de hand van M. Meijs en H. Vaessen verscheen eerder in Exclusive Sports & Business, jaargang 1993, nummer 3).

De kennismaking met het Iberische ras roept na kortere of langere tijd steeds weer dezelfde vragen op:
Hoe is het mogelijk, dat een dergelijk temperamentvol paard zo makkelijk hanteerbaar is? Waar komen uithoudingsvermogen, hardheid en duurzaamheid vandaan? Waarom zijn er zelden beengebreken? Hoe kan het, dat een zo moedig paard, op het Iberisch schiereiland voor de Corrida  (het stierengevecht te paard) gebruikt en in diverse films ingezet als stuntpaard, tegelijkertijd zo gehoorzaam is?  Wat zijn de invloeden van de Andalusiër op andere paardenrassen en zijn er invloeden van andere rassen op de Andalusiër? Hoe komt het, dat een ras (zo bejubeld in de paardenencyclopedieën)  zo onbekend is in Noord-Europa?

De correcte benaming voor het officiële Spaanse raspaard is “Caballo de Pura Raza Española”. Kortheidshalve zullen wij hier de benaming PRE gebruiken. In Portugal kennen we de Lusitano. Dit paard, in het verleden wel eens de Portugese Andalusiër genoemd, heeft in grote lijnen dezelfde afstamming als de Spaanse Andalusiër.
De belangrijkste voorvader is de Sorraia pony. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, heeft de Berber weinig en de Arabier geen enkele invloed uitgeoefend op de totstandkoming van het Andalusische ras.

Rond 25.000 voor Christus werd het paard op het Iberisch schiereiland gedomesticeerd. Volgens de laatste onderzoeken moet de voorloper van de huidige PRE een kruising zijn geweest van de Tarpan en het Przewalskipaard: de Equus Stenonius. Een dergelijke kruising was groter dan de huidige Tarpan of Przevalski. Het feit dat het paard groot genoeg was, om een mens te dragen zorgde ervoor, dat door selectief fokken een vroeg cavaleriepaard ontstond. In het Nabije Oosten, in Assyrië, werden de eerste gebruikspaarden vanwege hun slechte rug alleen gebruikt voor de strijdwagen. De Equus Stenonius bestaat heden ten dage nog steeds in de vorm van de Sorraia pony. Alhoewel deze pony nauwelijks vergelijkbaar is met het huidige Andalusische paard leert nadere beschouwing dat er toch overeenkomsten zijn: zo is er de stevige gespierde nek en het compacte, vierkante lichaam.

De Ligurische volken van het schiereiland kregen in de Bronstijd te maken met invallen van Iberiërs en Kelten en de kolonisatie van Phoeniciërs en Grieken. Met name de Phoeniciërs zorgden voor verspreiding van het toenmalige “Spaanse” paard naar het Oosten; de Grieken op hun beurt zorgden voor import van Oosterse paarden in Spanje (Let wel: geen Arabische paarden! Die bestonden toentertijd nog niet). Deze invloed uit het Oosten zorgde voor een fijner, lichter en ook hoger paard dan de Sorraia pony. Voor het eerst worden de Spaanse paarden nu ook genoemd in Griekse bronnen. Zo roemt Xenophon de Spaanse paarden en ruiters. Deze werden op grote schaal ingezet als huurlingen in de vele oorlogen die in deze eeuwen voor Christus woedden.

Een andere invloed uit het Oosten kwam door toedoen van de Phoeniciërs die zich in Carthago (het huidige Tunis) gevestigd hadden. In hun strijd tegen de Grieken en later de Romeinen gebruikten ze niet alleen Spaanse paarden en ruiters, maar ook paarden en huurlingen uit Numidië (het huidige Libië, Algerije en Niger). Veel van deze (Berberachtige) paarden vonden hun weg naar Spanje en beïnvloedden daar de fokkerij van het Iberische paard. Dus op twee manieren vonden de “Oosterse” paarden hun weg naar het westen. Maar hier stopt dan ook de grootste Oosterse invloed. Op keramiek en munten uit deze tijden rond de geboorte van Christus zien we al de afbeeldingen van de paarden die we later op de schilderijen van Van Dijck en Velasquez weer zullen tegenkomen.

Tijdens de grote volksverhuizingen in Europa trekken barbaarse Germaanse volkeren onder druk van de Hunnen in de vierde en vijfde eeuw op naar het zuiden. Ze vallen Spanje binnen (sommige benamingen herinneren heden ten dage in verbasterde vorm nog aan toen: Gothalandia, land van de Gothen = Catalonië en (V)Andalusië  = land van de Vandalen) en sommige stammen trekken verder naar Noord-Afrika en, via een omweg, naar Italië. Zelf oefenden ze met hun paarden uit het noorden geen invloed uit op het Iberische ras maar wat veel belangrijker is: ze nemen veel van de Spaanse paarden mee naar Noord-Afrika, waar ze een belangrijke rol speelden bij de vorming van de Berber. Dus als de Moren zo’n vier eeuwen later Spanje veroveren zullen ze weliswaar met hun Berberpaarden het Iberische paard beïnvloeden maar het omgekeerde heeft dan al veel eerder plaats gevonden!

Op het Arabisch schiereiland zijn paarden pas laat bekend. Het paard dat hier in de woestijnen tot ontwikkeling kwam, leefde in extreme omstandigheden: grote hitte overdag en bittere kou ’s nachts. Het kleine aantal paarden werd beschouwd als pure luxe en derhalve werden de Arabische paarden zoveel mogelijk gespaard. De Arabische veroveraars overwonnen op hun trek naar het westen de Noord-afrikaanse berbervolken dan ook vanaf de rug van hun kamelen. De invloed van het Arabische paard op de Berber en Andalusiër is nihil.

De in de middeleeuwen gepraktiseerde manier van rijden plus de daarbijbehorende zware paarden verdwenen na de uitvinding van de kleinere vuurwapens. Een nieuwe manier van oorlogsvoering te paard ontstond en dus ook een nieuwe wijze van rijden. Capriole, piaffe, courbette en levade hadden allemaal hun functie in de strijd te paard: om een tegenstander te verwonden, alert te zijn en snel te kunnen accelereren of om de ruiter te beschermen tegen een vijandelijke aanval. Klassieke schrijvers over africhting en rijkunst, zoals Xenophon, werden opnieuw ontdekt en nieuwe boeken werden geschreven, nieuwe methodes werden uitgeprobeerd.


 

Omstreeks het midden van de 16e eeuw was Spanje onmiskenbaar het machtigste en rijkste land ter wereld. In de lange strijd tegen de Moren had het een geduchte cavalerie opgebouwd, bestaande uit paarden die al eeuwenlang hun betrouwbaarheid en moed in de oorlogsvoering hadden bewezen. Met zijn compacte bouw en zijn natuurlijke aanleg voor verzameling waarmee de vereiste bewegingen makkelijk en gracieus konden worden uitgevoerd en met zijn intelligentie en gehoorzaamheid werd al gauw duidelijk dat het Iberische paard ook ideaal voor de hogeschooldressuur in de manege was.

In navolging van het hof werd de eerste burgerlijke manege in 1532 in Napels (destijds ook deel uitmakend van het Spaanse rijk) opgericht. De rest van Europa volgde. Door de befaamde meesters der rijkunst, van de Pluvinel en de Solleysel in Frankrijk, Von Löhneyssen in de Duitse landen tot de graaf van Newcastle in Engeland werd het Spaanse paard uitgeroepen tot het meest uitmuntende rijpaard en tot norm verheven. De grote bloeitijd van het Iberische paard was begonnen.

In december 1493 arriveerden de eerste paarden op het Amerikaanse continent. Het waren de eerste sedert vele duizenden jaren. Columbus wilde Andalusische paarden van de beste stoeterijen. Frauduleuze paardenhandelaren haalden echter een streep door de rekening: op het laatste moment werden de Andalusische paarden vervangen door kruisingen met Sorraia-ponys. Toen Columbus hierover klaagde, garandeerde het vorstenpaar Ferdinand en Isabella middels een koninklijk besluit in 1494, dat voortaan elk schip naar Amerika twaalf fokmerries van “casta distinguida” (uitstekende bloedlijnen) zou vervoeren, teneinde te voldoen aan de behoefte van de nieuwe koloniën.

De Spaanse invloed op de paarden in Amerika is het duidelijkst te herkennen bij de Paso Fino en de Peruaanse Paso. De Argentijnse Criollo echter is een afstammeling van kruisingen uit Spanje. Omdat in Argentinië geen grote hoeveelheden goud en zilver te vinden waren, was het enthousiasme van de Spaanse Kroon voor deze kolonie minder. Vandaar dat hier niet de beste paarden naartoe werden gestuurd.

De toenemende paardenpopulatie in Noord-Amerika was in de zestiende, zeventiende en in het begin van de achttiende eeuw het resultaat van de Spaanse kolonisatie van West-Indië en Mexico. Er zijn twee oorzaken voor de opmerkelijke verspreiding van het Iberische ras over het gehele continent. De Indianen, wier “overstap” op het paard een geheel nieuwe cultuur binnen alle Noordamerikaanse stammen creëerde, verbreidden het gebruik van het paard snel: eerst noordwaarts, daarna naar het oosten en westen. Het paard maakte het de Indianen mogelijk van de landbouw over te stappen op de jacht. Door de snelheid van het paard konden zij op bisons jagen. Zo raakten zij beter gevoed, gekleed en gewapend dankzij het paard. Verder voerden de Spanjaarden een aantal belangrijke expedities uit: het huidige Texas werd in april 1541 bereikt.

Hoewel bonte en appaloosa tekeningen tegenwoordig niet toegelaten zijn voor de raszuivere PRE, is uit de zestiende-eeuwse schilderkunst bekend hoe populair deze “kleurpaarden” toen waren. En het Indiaanse bijgeloof droeg er sterk toe bij dat vele stammen een bepaalde kleur gingen verkiezen. Zo werd de Appaloosa verder ontwikkeld door de Nez Percé Indianen. De pinto (bruin en/of zwart bont) en de palomino (ook wel isabel genoemd, naar de Spaanse koningin) werden ook verder gefokt op hun kleur. De Quarter Horse, die bekend staat om zijn zeer gehoorzame temperament en om zijn enorme wendbaarheid, kent ook de PRE als een van zijn belangrijkste voorouders. Toen dit paard echter steeds meer gebruikt ging worden als veedrijverspaard voor de lange afstanden werd er meer snelheid ingebracht via de Engelse volbloed (die via de oude Engelse merries en de Godolphin Barb ook weer Iberisch bloed voerde).

Maar niet alleen de Amerikaanse paarden zijn schatplichtig aan Spanje. De westernzadels zijn een afgeleide van de oude Spaanse vaquero-zadels (zoals die ook nu nog in gebruik zijn) en wie wel eens een Spaanse ruiter in de arena in actie heeft gezien, herkent veel van de western stijl van rijden: het korte draaien, de snelle acceleratie, de plotselinge stop en de grote wendbaarheid.

Hoewel Spaanse paarden in Engeland al door de Romeinen met autochtone pony’s werden gekruist, werden ze pas tijdens de enorme populariteit in de 16 en 17e eeuw in alle Europese landen op grote schaal ingevoerd en hebben daardoor een aanzienlijke invloed gehad op de verbetering van de plaatselijke rassen. Het bekendste voorbeeld is de Lippizaner. De Habsburgse aartshertog importeerde in 1580 vierentwintig merries en drie hengsten uit Spanje voor zijn pas opgerichte stoeterij in de Karst , bij Lippiza. Hier werden de paarden gefokt voor de Spaanse Rijschool te Wenen. Vanaf 1700 haalde men ook paarden uit Napels, Duitsland en Fredericksborg in Denemarken, die echter ook grotendeels Spaans bloed voerden. De Lippizaner was dus al een gevestigd ras, grotendeels gebaseerd op de PRE, voordat in de 19e eeuw Oosters bloed werd geïntroduceerd. Bovendien gebeurde dit door een tekort aan hengsten in het land van oorsprong, Spanje, waar door de Napoleontische oorlogen de paardenpopulatie gedecimeerd was.

Andere Europese rassen die Iberisch bloed in de aderen hebben, zijn o.a. de Kladruber, de Fries, de Holsteiner, de Hannoveraan, de Connemara pony, de Cleveland Bay en de Welsh Cob.

De natuurlijke leefomstandigheden (rotsachtige bergstreken in het land van oorsprong) en de strenge selectie bij het fokken hebben geresulteerd in een paard met een aantal uitzonderlijke karakteristieken. Het uiterlijk: een goedgevormd lang hoofd met licht convexe neus boven een krachtige nek en gespierde schouders, een vierkant, compact lichaam met fijne elegante benen, kleine hoeven en lange weelderige manen en laag ingeplante staart. De gemiddelde stokmaat loopt van 1.50 tot 1.65 meter. De beweging is van nature trots: de stap is ritmisch, de draf hooggrijpend, vol impuls en met veel knieactie, de handgalop soepel en uiterst comfortabel voor ruiter of amazone. Het karakter is bovendien uiterst aangenaam: intelligentie, moed en vurigheid gecombineerd met een volgzame en aanhankelijke aard. Uitzonderlijk is ook het karakter van de hengsten: in tegenstelling tot vele andere paardenrassen wordt het mannelijk paard in Spanje vrijwel nooit gecastreerd. Zij blijven hengst, tenzij de ervaring leert dat zij niet te handhaven zijn (de castratie treft nog geen 10% van de mannelijke paarden).

Fernando Palha, een van de meest gerespecteerde fokkers op het Iberisch schiereiland geeft zijn waardering als volgt weer: “Iberische paarden zijn nobel. Ze verliezen zelden hun hoofd, raken nooit in paniek en zullen nooit wegrennen. Ze bijten niet en ze trappen niet. Is het niet waar dat aristocraten over de gehele wereld weten hoe zij zich moeten gedragen?“

Geraadpleegde bronnen:

  • Beamish, H., Cavaliers of Portugal, New York
  • Engel, P., Die Geschichte des Spanischen Pferdes, Estirpe Cartujana, Mythos und Wirklichkeit
  • Interviews with Juan Carlos Alonso, Miguel Angel de Cárdenas and Jaime Guardiola
  • Gladitz, Charles, Horse Breeding in the Medieval World, Portland
  • Loch, Sylvia, The Royal Horse of Europe, Londen
  • Llamas, Juan, This is the Spanish Horse, Londen
  • J.C. Altamirano, La Yeguada del Bocado